Het blijft in de familie

Het blijft in de familie

Een verwarrend trouwfeest moet het voor Jeanne Jacqueline (Joanna Jacoba) Lambrechts geweest zijn, in 1859 in Sint-Jans-Molenbeek. Want haar zoon uit haar eerste huwelijk trouwt dan met met de zus van haar huidige man …

Van Boechout naar Brussel

In 1838 geven Arnold Van Rompaey en Jeanne Jacqueline Lambrechts elkaar in Brussel het ja-woord. Ze trokken beiden van Boechout (tussen Antwerpen en Lier) naar Brussel. Hij is er huisbediende en zij winkeljuffrouw, en ze wonen beiden in de Hoogstraat. Hun ouders zijn uit Boechout afgezakt naar de hoofdstad als huwelijksgetuigen: zijn vader is landbouwer, haar vader schrijnwerker.

Brussel, 27 juni 1838: Arnold Van Rompaey en Jeanne Jacqueline Lambrechts, beiden geboren in Boechout, trouwen.

Het koppel verhuist al snel naar Sint-Jans-Molenbeek, een Brusselse randgemeente, die dan in opmars is. Hier wordt in 1839 hun eerste zoon, Pierre François Van Rompaey, geboren. Het koppel krijgt daarna nog drie kinderen.

Ze zetten in Sint-Jans-Molenbeek een likeurhandel op, mogelijk met het deel van de erfenis van haar vader, die in 1841 overlijdt. (Notarisakte Geerts, Boechout: huis genaamd ‘Het hoefijzer’ met schuur). Helaas overlijdt Arnold enkele jaren later – pas 33 jaar oud.

Sint-Jans-Molenbeek, 28 september 1845 om 7 uur ’s morgens: likeurhandelaar Arnold Van Rompaeij overlijdt op zijn 33ste in zijn woonhuis, Gentsesteenweg 49.

Hertrouwd in 1854

Ondanks dat ze er alleen voorstaat, hertrouwt Jeanne Jacqueline niet meteen. Dat gebeurde meestal wel, om als weduwe met kinderlast het hoofd boven water te houden. Maar zij blijft de likeurhandel runnen.

Pas in 1854 stapt ze een tweede keer in het huwelijksbootje met Jacques Joseph Van Kalck, een elf jaar jongere letterzetter (typograaf) uit dezelfde gemeente, Sint-Jans-Molenbeek. Hij is de zoon van Nicolas Van Kalck (63) en Marie Elisabeth Leemans (62).

Sint-Jans-Molenbeek, 27 april 1854: Jeanne Jacqueline Lambechts, 42-jarige weduwe en ‘marchande de liqueurs’ hertrouwt met de ongetrouwde 31-jarige letterzetter Jacques Joseph Van Kalck.

Zoon van Arnold Van Rompaey trouwt

De kinderen van Jeanne Jacqueline krijgen zo een 31-jarige stiefvader. En leren diens zus Elisabeth Rosalie Van Kalck kennen. Zij moet een verpletterende indruk gemaakt hebben op de dan vijftienjarige Pierre François, want in 1859, op op zijn twintigste, trouwt hij zowaar met haar, ook al is zij 11 jaar ouder. (Huwelijkscontract bij notaris Verbrugghen in Sint-Jans-Molenbeek.) Haar vader maakt deze merkwaardige gang van zaken overigens niet meer mee, want hij overleed drie jaar eerder.

Uittreksel uit de geboorteakte van Elisabeth Rosalie Van Kalck, als bijlage bij haar huwelijksakte met Pierre François Van Rompaey.

Trouwen met je tante

Pierre François Van Rompaey speelt dus het onmogelijke klaar: hij trouwt met zijn tante, maar gelukkig wel de zus van zijn stiefvader. Samen krijgen ze zes kinderen. In 1884 wordt als zijn beroep ‘handelsreiziger’ vermeld – mogelijk voor de likeurhandel, die in handen van zijn broer Emile komt.

Hij overlijdt al in 1886, zijn 11 jaar oudere vrouw pas in 1891.

Sint-Jans-Molenbeek, 1886: Pierre François Van Rompaey overlijdt voor zijn 11 jaar oudere echtgenote.

Getrouwd in het hospitaal

Brussel , juli 1888. Marie-Louise Van Rompaey, een straatarme leurster (‘colporteuse’) krijgt vaginale bloedingen die van kwaad naar erger gaan. Ze wordt opgenomen in Hôpital St-Pierre, waar ze te horen krijgt dat ze in levensgevaar verkeert. De paniek slaat toe. Want als zij het leven laat, worden haar onwettige kinderen wezen. Haar amant Amand Cooreman had immers alleen hun eerste kind bij de geboorte in 1882 erkend. De oplossing? In ijltempo met Amand trouwen. En dat gebeurt noodgedwongen in het … hospitaal!

In de zomer van 1888 wordt Marie-Louise Van Rompaey in de Brusselse Sint-Pieterskliniek opgenomen. Daar trouwt ze ook op 18 juli!

Van plan om te trouwen

Dat het koppel hun trouw al eerder aan het voorbereiden was, blijkt uit de huwelijksbijlagen. Ze hadden een maand eerder al de nodige getuigschriften bij elkaar geraapt:

  • 18 juni: Bewijzen van onvermogen. Hierin worden ze beiden erkend als behoeftig, op basis van een verklaring door de politiecommissaris en door de ontvanger van de directe belastingen die verklaart dat zij geen belastingen betalen. De huwelijksvoltrekking, inclusief de aflevering van de benodigde getuigschriften, geschiedt daardoor pro deo – gratis, dus.
  • 19 juni: Militiegetuigschrift. Amand is vrij van dienst, nadat hij zich bij de loting van 1880 heeft ‘uitgeloot’ door het hoge nummer 809 te trekken.
  • 21 juni : Getuigschriften van woonst. Het koppel woont al geruime tijd samen in de Rue du Vautour (Gierstraat) 15. Hij is ‘magasinier’ (magazijnier) en zij ‘colporteuse’ (leurster).
Marie-Louise en Amand wonen bij hun trouw in 1888 al geruime tijd samen in de Rue du Vautour 15 (Gierstraat)

Nood breekt wet

Door de plotse ziekte van Marie-Louise schiet half juli de trouw echter in een stroomversnelling!

Brussel, 15 juli 1888: eerste huwelijksaankondiging van Amand Cooreman en Marie-Louise Van Rompaey
Medisch certificaat voor Marie-Louise Van Rompaey, “actuellement en traitement à l’hopital St Pierre à Bruxelles, qu’elle est atteinte d’hémorrhagies uterines graves, qu’elle se trouwe dans l’impossibilité de se transporter a l’hotel de Ville de Bruxelles pour contracter marriage, et qu’elle est en danger de mort.” (gratis afgeleverd)
  • 15 juli: eerste huwelijksaankondiging.
  • 16 juli: medisch certificaat van Dr. Victor Dubois dat Marie-Louise in het Brusselse Sint-Pietershospitaal ligt, zich niet naar het stadhuis kan verplaatsen voor het huwelijk, en in levensgevaar verkeert.
  • 17 juli: aanvraag door Amand voor vrijstelling van de tweede huwelijksaankondiging
  • 18 juli: dispensatie van de tweede huwelijksaankondiging door de procureur des konings bij de rechtbank van eerste aanleg. Trouw.

Drie dagen na de eerste huwelijksafkondiging trouwt het koppel dus al. Nood breekt wet, want zelfs vandaag krijgt iedereen veertien dagen de tijd om verzet aan te tekenen tegen een huwelijk!

Bewijs van onvermogen voor Marie-Louise Vanrompaey, die dus behoeftig is.
Bewijs van woonst van Marie-Louise Vanrompaey: Rue du Vautour 15 in Brussel, waar ook haar aanstaande bruidegom woont.
Vrijstelling voor de tweede huwelijksafkondiging door de procureur des konings

Op weg naar het hospitaal!

Op het middaguur van 18 juli 1888 meldt de Brusselse ambtenaar van de burgerlijke stand, Emile André Jean de Mot, zich aan bij het Sint-Pietershospitaal in de Hoogstraat 322. (Op dat adres bevinden zich anno 2021 trouwens nog altijd de administratieve diensten van CHU Sint-Pieter.)

Brussel, 18 juli 1888: huwelijksakte van Amand Cooreman en Marie-Louise Van Rompaey

De ambtenaar noteert: “We treffen Marie-Louise ziek van lichaam maar gezond van geest en begrip, met de deur van het gebouw open en de kamer van de zieke bereikbaar voor het publiek. (…) Het koppel verklaart geen huwelijksovereenkomst afgesloten te hebben, en verklaart hun kinderen te willen erkennen en wettigen: Marie-Thérèse Cooreman, Félix Van Rompaey, Marie-Louise Vanrompaey en Marie Vanrompaey.” (Bemerk de verschillende schrijfwijzen van de familienaam.)

Een van de vier getuigen is de directeur van het hospitaal. Marie-Louise en haar moeder Gertrude handtekenen niet omdat ze niet kunnen schrijven. Die van A Cooremans staat er wél, al blijkt zijn familienaam in de burgerlijke stand ooit de eind-s verloren te hebben.

Emile André Jean De Mot, in 1888 Brussels ambtenaar van burgerlijke stand én schepen, later Brussels burgemeester en volksvertegenwoordiger

Onwettige kinderen à volonté

Onwettige kinderen op de wereld zetten? De arme Brusselse familie van Marie-Louise kan er van meespreken:

  • Haar grootmoeder Marie wordt pas op haar negende in 1827 gewettigd (Van den Thoren > Tiquehen).
  • Haar moeder Gertrude, wordt, samen met twee zussen en een broer, pas op haar derde in 1844 gewettigd door de trouw van Marie met weduwnaar Pierre Jean Van Rompaey, afkomstig van Kapelle-op-den-Bos (Tiquehen > Van Rompaey).
  • Gertrude trouwt zelf nooit, zodat Marie-Louise en haar broers Léandre (1860-1866), Corneille (1868) en Jean Baptiste (1884) met de familienaam ‘Van Rompaey’ door het leven blijven gaan.
  • Marie-Louise krijgt vier kinderen voor ze in de zomer van 1888 zwaar ziek wordt, en trouwt.

Vier op een rij?

Met die vier voorhuwelijkse kinderen van Marie-Louise is iets raars aan de hand. Want wanneer zij hals over kop trouwt met Amand Cooreman, heeft die alleen hun eerste kind, Marie-Thérèse, bij de geboorte erkend. Zij heet dus bij hun trouw al ‘Cooreman’, de drie andere veranderen dan pas van ‘Vanrompaey’ naar ‘Cooreman’.

Marie-Louise heeft op dat moment nog Rue de la Verdure 312 als domicilie, maar woont en bevalt bij haar Amand in de Impasse des Ardoises 1.

Félix, het tweede kind, wordt in 1883 met haar familienaam ingeschreven, ook al is ze nu gedomicilieerd op de Impasse des Ardoises 1. Bij het derde kind (1885) is ze terug naar de Rue de la Verdure 28 getrokken, bij het vierde (1886) woont ze in de Rue de Soignies 38.

Ook al zijn ze niet getrouwd, toch krijgt het eerste kind van Marie-Louise Van Rompaey & Amand Cooreman in 1882 de familienaam ‘Cooreman’ mee. Pas door hun huwelijk in 1888 wordt dat feit ook gelegitimeerd. (Zie bijschrift in de kantlijn.)
Félix, Marie-Louises tweede kind, krijgt de familienaam ‘Vanrompaey’ mee, net als de twee daarna.
Francis Brackx, directeur de l’hospice de la maternité, geeft de geboorte aan.
Ook hier weer in de kantlijn de wettiging als zoon van Amand Cooreman bij zijn trouw in 1888.

Nog een kind in 1891

Ondanks de uteriene bloedingen waardoor Marie-Louises leven bij haar huwelijk aan een zijden draadje hing, schenkt ze in 1891 toch nog het leven aan een zoontje: Charles Louis. Andere kinderen vermelden de Brusselse geboorteaktes niet. Het koppel woont dan in de Rue des Navets 16, Brussel, derde district.

Een – wettige! – zoon van Amand Cooreman en Marie-Louise Van Rompaey wordt in 1891 geboren in de Rapenstraat 16.

In 1892 overlijdt Amand.
In 1897 hertrouwt Marie-Louise met ene Frans De Champ, een ‘electriekmakersgast’ uit de Zennestraat 4 in Brussel.

Moederdag zonder moeke

9 mei 2021, moederdag. Vanmorgen, vijf jaar geleden, doofde mijn moeders kaarsje. Na een nacht van eenzaam waken, waarin ik mijn verdriet in haar grafrede al van me aan het afschrijven was. Voor wie haar niet kende, publiceer ik die vandaag, zodat zij weten was ze gemist hebben. En voor wie haar wel kende, om haar weer even voor de geest te halen zoals ze was: groot in eenvoud.

Josephine Ceulemans, 29 januari 1931 – 9 mei 2016

Grafrede op 14 mei 2016 in de kerk van Wezemaal

“Dag moeke, hoe is het?”“Goedgoed, jongen. Maar: hoe is het met ú?
Hoe gaat het dáár? Alles goed, ook met de kinnekes? En hoe is het op uw werk?”

Dit was het begin van élk telefoongesprek met ons Moeke. Het kon haar geen lap schelen hoe het met haarzelf ging. Het enige wat van belang was: hoe gaat het met de andere? Heeft die geen hulp nodig? Ons moeke heeft haar leven lang … gegeven. Niet omdat ze moest vanuit haar opvoeding. Of haar geloof. En al zeker niet omdat ze zichzelf op een pied-de-stalleke wilde zetten. Nee, moeke kon gewoon niet anders. Geven was wie moeke was. Zij was de Barmhartige Samaritaan.

Op straat knikte ze haar kopke er bijna af om toch maar geen enkele passant voor het hoofd te stoten. En ze stapte op iedereen af met een ontwapende glimlach en warme ogen vol vertrouwen. Moeke was allemansvriend. Ze zag gewoon graag mensen. Ze gaf hen liefde, respect en warmte. Steun, hulp en medeleven.

De Grote Van Dale inspireerde zich vast ook op haar voor zijn definitie van ‘gastvrijheid’ en ‘vrijgevigheid’. Je zat bij haar thuis nog niet goed en wel neer of Moeke propte je vol met het beste van wat haar ijskast of snoepschuif te bieden had. En als veel ‘goed’ was, dan was ‘meer’ in dat geval ‘beter’. Bij Moeke en Vake stapte je niet, maar rolde je buiten. En het maakte haar geen sikkepit uit of je familie, vriend of passant was: Moeke legde u in de watten.

67 jaar zijn Vake en Moeke getrouwd geweest. 67 jaar lang verstrengelen twee buigzame wilgentwijgen zich tot één knoestige stam, die elke levensstorm trotseert. Al is hun start woelig: de Tweede Wereldoorlog zindert nog na. Maar vooral: grootmoeke is er niet mee opgezet dat een zoon uit een burgerfamilie zijn oog laat vallen op een meisje van te eenvoudige komaf. Hun trouw op een stormachtige winterdag, is er eentje in mineur, want Vakes ouders geven forfait. Waarop Peteke, Moekes moeder – haar eigen vader is dan al lang gestorven – uit onderdanige schroom het ook niet aandurft om op te dagen …

Toch is er méér dan het verschil in stand, want Moeke en Vake zijn elkaars tegenpolen. Moeke is een emotioneel beestje en Vake hyperrationeel. Moeke heeft nog geen verkering gehad, maar Vake is de Don Juan van Begijnendijk – én omstreken. Moeke maakt hun verkering zelfs nog eens af om Vake eerst te doen beloven nooit meer naar een ander meisje te kijken. En dat … doét hij gewoon, tot op de dag van vandaag.

Het jonge koppel werkt en studeert zich te pletter om zich op te werken. Terwijl Moeke geleidelijk aan het hart van haar schoonouders inpalmt. Hoe kan het ook anders? Niemand weerstaat aan haar eenvoudige, ontwapenende charme. Op zijn sterfbed wenkt Grootvake zijn zoon bij hem voor zowat zijn laatste woorden. En die gaan over … Moeke: “T’is zoë lief kind. Mor … zoagen!” Het was zijn manier om te zeggen: gij moogt gelukkig zijn met uw vrouwke!  

“Dag Moeke, hoe is het?” – “Goedgoed, jongen. Maar: hoe is het met ú?”

September 1988. Mijn legerdienst zit er bijna op en ik kijk uit naar vast werk.
“Seg, jongen, nu kwam daarstraks in de schoenwinkel een man binnen die een aktetas zocht. Ik vroeg waarvoor die moest dienen, en hij deed zijn uitleg. Hij zei me dat hij baas in de farmaceutische industrie was. En dat zijn toch pillekes, hé? Wel, ik zei toen tegen hem dat mijn zoon afgestudeerd is als apotheker, en werk zoekt. Ge moogt er morgenavond een klapke mee gaan doen. Maar zie dat ge proper schoenen aanhebt, hé!”

Ik doe wat ze vraagt. En teken drie dagen later mijn contract bij een farmabedrijf – mét propere schoenen. Zo zorgt Moeke onbewust voor de richting waarin mijn carrière vertrekt. Een richting die, achteraf gezien, de juiste blijkt te zijn. Over die schoenwinkel: Moeke hielp jarenlang in die van tante Line, haar oudste zus. En hoe een dubbeltje rollen kan: net die winkel ruimt later plaats voor … woonzorgcentrum De Lelie. Waar moeke maandagmorgen, op 9 mei, gestorven is.

Wanneer ik haar bezig zie in die schoenwinkel, begrijp ik waarom ze zo geliefd is. Door haar inlevingsvermogen begrijpt ze iedereen écht. En daardoor is ze ook een rasverkoopster: ze luistert aandachtig voor ze spreekt. Waarna de verkoop als vanzelf volgt. Nu ja, sjacheren zit haar ook in het bloed. Maar dan altijd zo dat koper en verkoper er een goed gevoel  aan overhouden. Dat heeft ze van geen vreemden, want haar moeder Emma – ons Peet – is ook een verkoopster eerste klas. Zij zorgt ervoor dat haar gezin zonder al te veel kleerscheuren de oorlog van 40-45 doorkomt door boerderijproducten op de Antwerpse zwarte markt te verkopen. Ook al moet moeke daar­voor met pakken boter rond haar middel gebonden mee de trein op, stevig ingepakt in een verhullend frakske. Tot de smeltende boter haar letterlijk in de schoenen zinkt …

Toch speelt haar empathie Moeke ook parten. Want eindeloos duren de nachten waarin ze zich kapot tobt over wat er her en der in de familie gebeurt. Of beter: zou kúnnen gebeuren: wat als …? En ook melancholie, weemoed, is haar niet vreemd. Zo rijgt ze slapeloze nachten aan elkaar. Om overdag weer paraat te staan als vraagbaak voor iedereen die een probleem heeft. Moeke neemt zo ieders lasten mee op haar schouders. En gedeelde smart is halve smart, ja. Maar als die ene helft telkens op dezelfde rug geladen wordt? Ook niet goed …

“Dag Moeke, hoe is het?” – “Goedgoed, jongen. Maar: hoe is het met ú?”

“Goed, Moeke. Zeg, mag Viktor dit weekend komen logeren?”
“Natuurlijk, jongen! Maar ik zag vorige keer dat zijn knuffel zo versleten is: moet ik daar niks aan doen?”

Maart 2006. Haar driejarige kleinzoon Viktor blijft bij Vake en Moeke slapen – mét zijn knuffel Tommeke. Diens buikje is uitgerafeld en zijn pluchen vulling is plat. Dus past Moeke daar een mouw aan, alle: een buikje aan. Overdag knipt ze alvast uit stretchstof een patroontje. En wanneer Viktor in dromenland is, kaapt ze Tommeke. Waarna een nauwgezette buiktransplantatie volgt, feilloos met de hand genaaid. En omdat Toms slabbetje ook niet meer perfect is, geeft ze dat ook maar nieuwe stiksels. Vake ziet haar pas lang na middernacht het bed insluipen. Maar haar missie is geslaagd: Viktor mist zijn Tommeke geen minuut en is ’s morgens verguld door diens magische genezing.
Moekes handen zijn dan ook magisch: achter haar stikmachine verricht zij wonderen. Wat de meest ervaren naaister niet kan, lukt haar wel. Hoe? Ein-de-loos geduld. En nooit, maar dan ook nooit opgeven voor het resultaat perfect is.

Helaas valt haar vakwerk geleidelijk ten prooi aan tremor en dementie. Toch prutsen haar nijvere vingers ook tijdens haar laatste maanden urenlang aan de rand van haar dekentje. Alleen: doelloos nu.

“Dag Moeke, hoe is het?” – “Goedgoed, jongen. Maar: hoe is het met ú?”

Januari 2015. Moeke liegt om bestwil: het gaat niét goed met haar, nu haar leven brutaal overhoop gegooid wordt.
Want nadat zij en vake samen onverwacht in het ziekenhuis belanden, zien ze hun huis nooit meer terug – hun paleisje in de Langestraat in Wezemaal, waar ze vijftig jaar wonen. En verliest Moeke haar prachtige haren door de chemotherapie. Dat is voor iedere vrouw verschrikkelijk, maar voor Moeke … ondenkbaar. Omdat haar piekfijne uiterlijk haar zo kenmerkt: altijd tiptop verzorgd, haar in een dotje opgestoken, beste kleren aan, en op hakken die haar groter maken dan haar meterke vijftig. Gelukkig beseft zij dan niet dat dementie ook dat allemaal ooit van haar zal stelen.

Waarom ze zo’n belang hecht aan een piekfijn uiterlijk? Misschien om te compenseren dat ze van eenvoudige komaf is: van keuterboeren op de Pijpelhei bij den halt in Begijnendijk. Of omdat ze zo’n moeilijke jeugd heeft, met haar vader die veel te jong sterft. Waarna de meeste kinderen noodgedwongen worden geplaatst bij nonkels en tantes – moeke bij Lin en haar man ‘de Floere’. Zij zijn een – dan nog – kinderloos echtpaar dat haar liefdevol opvangt, en buiten het bereik van de harde hand van haar stiefvader houdt.

Ze woont later trouwens ook een tijd in bij Line en Wies – het koppel dat bestaat uit haar zus en haar stiefbroer. Ja, het is een ingewikkelde familie, die van Peeters-Ceulemans … Maar geen slecht woord daarover! Want dan ontploft Moeke: een Ceulemans kan niks misdoen. Níks. Punt, uit. Tja, emotioneel is Moeke ook. Correcter: ze is een vat emotie, zonder één druppel ratio. Discussiëren met haar? Onbegonnen werk, want je objectieve argumenten glijden van haar af als water op een eend. Ik loop er vaak de muren van op. Net als ons zus en Vake. Nog wat meer roddelen achter haar rug? Moeke kan ook stijfkoppig zijn met reusachtige vooroordelen. Maar die vooroordelen zijn nooit negatief, altijd ten goede. Ze blijft gewoon mensen verdedigen tegen beter weten in. Empathie, weet ge wel?

“Moeke, hoe is het?”

Geen reactie.
Zondagnacht, 8 mei 2016. Ik waak naast Moekes bed. Ons Gerda haar dagshift zit erop en Vake ligt uitgeteld in hun serviceflat, na vele, vele weken van onafgebroken waken naast Moekes bed. Zij reageert al enkele dagen niet echt meer, terwijl ze wegglijdt in de gretige armen van de dood. Ik streel over haar voorhoofd en fluister uren aan een stuk: “Moeke, gij zijt het beste Moeke ooit. Iedereen ziet u graag. Ons Vake ziet u graag. Ons Gerda ziet u graag. Ik zie u graag. Uw kleinkinderen zien u graag.” Een vaag glimlachje speelt dan soms eventjes rond haar mond.

Tot die laatste keer dat we , totaal onverwacht, nog een laatste keer écht communiceren, even voor middernacht. “Moeke, gij zijt het beste Moeke ooit. Iedereen ziet u graag. Ons Vake ziet u graag. Ons Gerda ziet u graag. Ik zie u graag.” Geen reactie. Tot … zij haar hand eindeloos traag omhoog wurmt. Ze punt haar wijsvinger beverig naar mij en schokt hem een centimetertje vooruit, terwijl haar halfopen oogjes glinsteren. Zelfs haar laatste bewuste daad is er een van pure liefde. Want ze bedoelt: “Neenee, jongen, ik zie júllie graag!”

“Dag Moeke, hoe is het?” – “Goedgoed, jongen. Maar: hoe is het met ú?
Hoe gaat het dáár? Alles goed, ook met de kinnekes?”

Hoe het hier nu gaat, Moeke? Niet zo goed.  Zonder u lopen we als kippen zonder kop. Maar aan de andere kant: gij weet ook hoe hecht onze familie aan mekaar hangt. Dus maak u maar niet ongerust: ooit zullen we wel eens stoppen met wenen.

“Dág, Moeke …”

Kind zonder leven

Gommair Van Rompaey uit Kessel en Maria Catharina Braeckmans uit Schilde geven in 1865 elkaar het ja-woord in Borsbeek. Ze wonen er in wijk 1, nummer 63. Maar daar lacht het geluk hen toe, wanneer je dit ‘bevallingslijstje’ bekijkt. Zes keer moet Gommair naar het gemeentehuis met een doodgeboren kind, en een zevende sterft al na een maand:

  • 1868: doodgeboren meisje
  • 1869: Maria Elisabeth (trouwt in 1912)
  • 1872: doodgeboren jongetje
  • 1873: doodgeboren jongetje
  • 1874: doodgeboren meisje
  • 1875: Petrus Franciscus (trouwt in 1904)
  • 1877: Cornelius Constantinus, overlijdt na een maand
  • 1878: doodgeboren jongetje
  • 1884: doodgeboren meisje
21 juni 1868, Borsbeek: Gommarus Van Rompaey, achtendertigjarige arbeider, ‘toont ons zonder leven een kind van het vrouwelijke geslacht’. Hij ondertekent de akte zelf niet, omdat hij analfabeet is.

Sloffenbreidster

Rare beroepen, verdwenen beroepen: je komt er wel wat tegen wanneer je al tienduizenden aktes doorsnuffelde. Maar dat in de huwelijksakte (Boom, 1911) van Camiel Van Rompaey is voor mij een primeur. Zijn kersverse echtgenote is sloffenbreidster van beroep. Wat overigens past bij haar familienaam: Holvoet. 😉

De ambtenaar noteert als beroep ‘sloffenbreidster’ voor bruid Ernestin Holvoet, die tekent
Huwelijksakte Boom, 1911/89:
Jan Camiel Van Rompaey, verver uit Brussel, trouwt op 2 september 1911 met Paulina Ernestina Holvoet, stoffenbreidster

Boomse pantoffelfabrieken

Ik denk nog even aan een vergissing (stoffenbreidster)?, maar kom ‘sloffenbreidster’ in die periode vaker tegen voor andere Boomse bruiden, zoals Maria Elisabeth De Maeyer (x1908), Catharina Julia Huysmans (x1910) en Irma Maria Claes (x1911).

Oké, googelen maar! Met ‘pantoffelfabriek Boom’ beland ik bij eeuwelinge Fieneke. Die werkte in het interbellum ’s zomers in de steenbakkerijen en ’s winters in de Boomse pantoffelfabriek Van Dooren.

De Zelfende Sloefenmaaksters

Het ‘Streekverhaal Rupelstreek’ door Bailleul geeft me de achtergrondinfo die ik zoek:
“In het centrum van Terhagen, op de plaats waar vroeger een pantoffelfabriek stond, werd in 2012 het standbeeld ‘De Zelfende Sloefenmaaksters’ onthuld. Dit bronzen beeld van kunstenares Francien Maas is een eerbetoon aan de vele vrouwen die werkten in de pantoffelfabrieken, de steenbakkerijen en de landbouw. Sloefen waren een primitief schoeisel uit repen stof dat vooral in de koude wintermaanden in klompen of laarzen gedragen werd. De pantoffelnijverheid in Terhagen kende vooral kort na de Eerste Wereldoorlog een grote bloei. Als er in de wintermaanden geen stenen gemaakt moesten worden, produceerden de vrouwen sloefen.”

De Zelfende Sloefenmaaksters: standbeeld in Terhagen (Rupelstreek) (Copyright GVA)

Sloefen maken was een bijverdienste om het hoofd boven water te houden. De repen stof kwamen oorspronkelijk van de lange oorlogsjassen die de Duitse soldaten hadden achtergelaten. In de Rupelstreek waren zowat tachtig pantoffelfabriekjes actief. En waarom ‘zelfende’ sloefenmaaksters? ‘Zelfen’ was vaktaal voor ‘ontrafelen’.

Wekt het overigens verbazing dat de (synthetische) nazaten van die klompsloffen nog altijd geproduceerd worden in … Nederland?

Kijk, zo kom je nog eens iets te weten. Bijvoorbeeld ook over de populaire opvolgers van de primitieve sloefen: de iconische pantoffels van het Nielse merk Eskimo. Die blies zaakvoerder van In ’t Pantoffeltje nieuw leven in.

En zo is nieuw en oud alweer verbonden door … sloffenbreidster Ernestine.