In Putte is in 1828 de meevaller voor de ‘Commissie van Weldadigheid’ van korte duur. In de begroting van 1829 noteert zij: “Het armbestier had gemeent dat door het overlijden van Anna Maria Van Rompaey in het dulhuys te Antwerpen, de onkosten der bestedelingen te kunnen verminderen met 100 gulden. Maar ongelukkiglijk genoeg sterft in dezelfde tyd een zekere Petrus Neeus, weduwnaar, gedompeld in de grootset armoede, naelaetende vier kinderen, waarvan drie met kwaede koppen en waervan de oudste slechts 12 jaer.”

De ene zijn dood is de andere zijn brood, stelt de volkswijsheid. Maar net dat is een streep door de rekening van dit negentiende-eeuwse OCMW in de Zuiderkempen. Want dat is nu net af van de dure uitbesteding van een Putse inwoonster in het Antwerpse ‘zothuis’. En net dan durft een andere arme Putse inwoner het aan om het loodje te leggen én vier slecht opgevoede wezen na te laten. Daar gaat de ‘winst’!

Het zit het Putse ‘Bureel van Weldadigheid’ in 1929 trouwens niet mee, want die winter beklaagt het zich:
“Overwegende dat verscheidene credieten en voornaemelyk de bedeelingen in brood en kleederen ontoereikend waeren ingevolge langdurige regens, de aardappelen, welke het voornaemste voedsel der behoeftigen zyn, geheel mislukt zyn, en dat zelfs nog een groot gedeelte in de putten gedurende de winter is rot geworden of bevrooren. Verder zyn door de regens en de vroegtydige winter al de werken van den akkerbouw opgeschorst geweest en alzoo een groot getal personen zonder werk gevallen en verpligt geweest zich te wenden tot het armbestier. Ook het getal der bestedelingen is toegenomen en de som van kleedingsstukken is dan ook onvoldoende. Reeds van in de herfst was te voorzien dat de som voor bedeeling in brood ongenoegzaem was om de monden der behoeftigen open te houden en dezelfde van hongersnood te behoeden.”

Bron: Frans Torfs, Van Putse Mensen en Dingen – deel 1, p.42 – 1970, Heemkring Het Molenijzer, Putte Mechelen.