Moederdag zonder moeke

9 mei 2021, moederdag. Vanmorgen, vijf jaar geleden, doofde mijn moeders kaarsje. Na een nacht van eenzaam waken, waarin ik mijn verdriet in haar grafrede al van me aan het afschrijven was. Voor wie haar niet kende, publiceer ik die vandaag, zodat zij weten was ze gemist hebben. En voor wie haar wel kende, om haar weer even voor de geest te halen zoals ze was: groot in eenvoud.

Josephine Ceulemans, 29 januari 1931 – 9 mei 2016

Grafrede op 14 mei 2016 in de kerk van Wezemaal

“Dag moeke, hoe is het?”“Goedgoed, jongen. Maar: hoe is het met ú?
Hoe gaat het dáár? Alles goed, ook met de kinnekes? En hoe is het op uw werk?”

Dit was het begin van élk telefoongesprek met ons Moeke. Het kon haar geen lap schelen hoe het met haarzelf ging. Het enige wat van belang was: hoe gaat het met de andere? Heeft die geen hulp nodig? Ons moeke heeft haar leven lang … gegeven. Niet omdat ze moest vanuit haar opvoeding. Of haar geloof. En al zeker niet omdat ze zichzelf op een pied-de-stalleke wilde zetten. Nee, moeke kon gewoon niet anders. Geven was wie moeke was. Zij was de Barmhartige Samaritaan.

Op straat knikte ze haar kopke er bijna af om toch maar geen enkele passant voor het hoofd te stoten. En ze stapte op iedereen af met een ontwapende glimlach en warme ogen vol vertrouwen. Moeke was allemansvriend. Ze zag gewoon graag mensen. Ze gaf hen liefde, respect en warmte. Steun, hulp en medeleven.

De Grote Van Dale inspireerde zich vast ook op haar voor zijn definitie van ‘gastvrijheid’ en ‘vrijgevigheid’. Je zat bij haar thuis nog niet goed en wel neer of Moeke propte je vol met het beste van wat haar ijskast of snoepschuif te bieden had. En als veel ‘goed’ was, dan was ‘meer’ in dat geval ‘beter’. Bij Moeke en Vake stapte je niet, maar rolde je buiten. En het maakte haar geen sikkepit uit of je familie, vriend of passant was: Moeke legde u in de watten.

67 jaar zijn Vake en Moeke getrouwd geweest. 67 jaar lang verstrengelen twee buigzame wilgentwijgen zich tot één knoestige stam, die elke levensstorm trotseert. Al is hun start woelig: de Tweede Wereldoorlog zindert nog na. Maar vooral: grootmoeke is er niet mee opgezet dat een zoon uit een burgerfamilie zijn oog laat vallen op een meisje van te eenvoudige komaf. Hun trouw op een stormachtige winterdag, is er eentje in mineur, want Vakes ouders geven forfait. Waarop Peteke, Moekes moeder – haar eigen vader is dan al lang gestorven – uit onderdanige schroom het ook niet aandurft om op te dagen …

Toch is er méér dan het verschil in stand, want Moeke en Vake zijn elkaars tegenpolen. Moeke is een emotioneel beestje en Vake hyperrationeel. Moeke heeft nog geen verkering gehad, maar Vake is de Don Juan van Begijnendijk – én omstreken. Moeke maakt hun verkering zelfs nog eens af om Vake eerst te doen beloven nooit meer naar een ander meisje te kijken. En dat … doét hij gewoon, tot op de dag van vandaag.

Het jonge koppel werkt en studeert zich te pletter om zich op te werken. Terwijl Moeke geleidelijk aan het hart van haar schoonouders inpalmt. Hoe kan het ook anders? Niemand weerstaat aan haar eenvoudige, ontwapenende charme. Op zijn sterfbed wenkt Grootvake zijn zoon bij hem voor zowat zijn laatste woorden. En die gaan over … Moeke: “T’is zoë lief kind. Mor … zoagen!” Het was zijn manier om te zeggen: gij moogt gelukkig zijn met uw vrouwke!  

“Dag Moeke, hoe is het?” – “Goedgoed, jongen. Maar: hoe is het met ú?”

September 1988. Mijn legerdienst zit er bijna op en ik kijk uit naar vast werk.
“Seg, jongen, nu kwam daarstraks in de schoenwinkel een man binnen die een aktetas zocht. Ik vroeg waarvoor die moest dienen, en hij deed zijn uitleg. Hij zei me dat hij baas in de farmaceutische industrie was. En dat zijn toch pillekes, hé? Wel, ik zei toen tegen hem dat mijn zoon afgestudeerd is als apotheker, en werk zoekt. Ge moogt er morgenavond een klapke mee gaan doen. Maar zie dat ge proper schoenen aanhebt, hé!”

Ik doe wat ze vraagt. En teken drie dagen later mijn contract bij een farmabedrijf – mét propere schoenen. Zo zorgt Moeke onbewust voor de richting waarin mijn carrière vertrekt. Een richting die, achteraf gezien, de juiste blijkt te zijn. Over die schoenwinkel: Moeke hielp jarenlang in die van tante Line, haar oudste zus. En hoe een dubbeltje rollen kan: net die winkel ruimt later plaats voor … woonzorgcentrum De Lelie. Waar moeke maandagmorgen, op 9 mei, gestorven is.

Wanneer ik haar bezig zie in die schoenwinkel, begrijp ik waarom ze zo geliefd is. Door haar inlevingsvermogen begrijpt ze iedereen écht. En daardoor is ze ook een rasverkoopster: ze luistert aandachtig voor ze spreekt. Waarna de verkoop als vanzelf volgt. Nu ja, sjacheren zit haar ook in het bloed. Maar dan altijd zo dat koper en verkoper er een goed gevoel  aan overhouden. Dat heeft ze van geen vreemden, want haar moeder Emma – ons Peet – is ook een verkoopster eerste klas. Zij zorgt ervoor dat haar gezin zonder al te veel kleerscheuren de oorlog van 40-45 doorkomt door boerderijproducten op de Antwerpse zwarte markt te verkopen. Ook al moet moeke daar­voor met pakken boter rond haar middel gebonden mee de trein op, stevig ingepakt in een verhullend frakske. Tot de smeltende boter haar letterlijk in de schoenen zinkt …

Toch speelt haar empathie Moeke ook parten. Want eindeloos duren de nachten waarin ze zich kapot tobt over wat er her en der in de familie gebeurt. Of beter: zou kúnnen gebeuren: wat als …? En ook melancholie, weemoed, is haar niet vreemd. Zo rijgt ze slapeloze nachten aan elkaar. Om overdag weer paraat te staan als vraagbaak voor iedereen die een probleem heeft. Moeke neemt zo ieders lasten mee op haar schouders. En gedeelde smart is halve smart, ja. Maar als die ene helft telkens op dezelfde rug geladen wordt? Ook niet goed …

“Dag Moeke, hoe is het?” – “Goedgoed, jongen. Maar: hoe is het met ú?”

“Goed, Moeke. Zeg, mag Viktor dit weekend komen logeren?”
“Natuurlijk, jongen! Maar ik zag vorige keer dat zijn knuffel zo versleten is: moet ik daar niks aan doen?”

Maart 2006. Haar driejarige kleinzoon Viktor blijft bij Vake en Moeke slapen – mét zijn knuffel Tommeke. Diens buikje is uitgerafeld en zijn pluchen vulling is plat. Dus past Moeke daar een mouw aan, alle: een buikje aan. Overdag knipt ze alvast uit stretchstof een patroontje. En wanneer Viktor in dromenland is, kaapt ze Tommeke. Waarna een nauwgezette buiktransplantatie volgt, feilloos met de hand genaaid. En omdat Toms slabbetje ook niet meer perfect is, geeft ze dat ook maar nieuwe stiksels. Vake ziet haar pas lang na middernacht het bed insluipen. Maar haar missie is geslaagd: Viktor mist zijn Tommeke geen minuut en is ’s morgens verguld door diens magische genezing.
Moekes handen zijn dan ook magisch: achter haar stikmachine verricht zij wonderen. Wat de meest ervaren naaister niet kan, lukt haar wel. Hoe? Ein-de-loos geduld. En nooit, maar dan ook nooit opgeven voor het resultaat perfect is.

Helaas valt haar vakwerk geleidelijk ten prooi aan tremor en dementie. Toch prutsen haar nijvere vingers ook tijdens haar laatste maanden urenlang aan de rand van haar dekentje. Alleen: doelloos nu.

“Dag Moeke, hoe is het?” – “Goedgoed, jongen. Maar: hoe is het met ú?”

Januari 2015. Moeke liegt om bestwil: het gaat niét goed met haar, nu haar leven brutaal overhoop gegooid wordt.
Want nadat zij en vake samen onverwacht in het ziekenhuis belanden, zien ze hun huis nooit meer terug – hun paleisje in de Langestraat in Wezemaal, waar ze vijftig jaar wonen. En verliest Moeke haar prachtige haren door de chemotherapie. Dat is voor iedere vrouw verschrikkelijk, maar voor Moeke … ondenkbaar. Omdat haar piekfijne uiterlijk haar zo kenmerkt: altijd tiptop verzorgd, haar in een dotje opgestoken, beste kleren aan, en op hakken die haar groter maken dan haar meterke vijftig. Gelukkig beseft zij dan niet dat dementie ook dat allemaal ooit van haar zal stelen.

Waarom ze zo’n belang hecht aan een piekfijn uiterlijk? Misschien om te compenseren dat ze van eenvoudige komaf is: van keuterboeren op de Pijpelhei bij den halt in Begijnendijk. Of omdat ze zo’n moeilijke jeugd heeft, met haar vader die veel te jong sterft. Waarna de meeste kinderen noodgedwongen worden geplaatst bij nonkels en tantes – moeke bij Lin en haar man ‘de Floere’. Zij zijn een – dan nog – kinderloos echtpaar dat haar liefdevol opvangt, en buiten het bereik van de harde hand van haar stiefvader houdt.

Ze woont later trouwens ook een tijd in bij Line en Wies – het koppel dat bestaat uit haar zus en haar stiefbroer. Ja, het is een ingewikkelde familie, die van Peeters-Ceulemans … Maar geen slecht woord daarover! Want dan ontploft Moeke: een Ceulemans kan niks misdoen. Níks. Punt, uit. Tja, emotioneel is Moeke ook. Correcter: ze is een vat emotie, zonder één druppel ratio. Discussiëren met haar? Onbegonnen werk, want je objectieve argumenten glijden van haar af als water op een eend. Ik loop er vaak de muren van op. Net als ons zus en Vake. Nog wat meer roddelen achter haar rug? Moeke kan ook stijfkoppig zijn met reusachtige vooroordelen. Maar die vooroordelen zijn nooit negatief, altijd ten goede. Ze blijft gewoon mensen verdedigen tegen beter weten in. Empathie, weet ge wel?

“Moeke, hoe is het?”

Geen reactie.
Zondagnacht, 8 mei 2016. Ik waak naast Moekes bed. Ons Gerda haar dagshift zit erop en Vake ligt uitgeteld in hun serviceflat, na vele, vele weken van onafgebroken waken naast Moekes bed. Zij reageert al enkele dagen niet echt meer, terwijl ze wegglijdt in de gretige armen van de dood. Ik streel over haar voorhoofd en fluister uren aan een stuk: “Moeke, gij zijt het beste Moeke ooit. Iedereen ziet u graag. Ons Vake ziet u graag. Ons Gerda ziet u graag. Ik zie u graag. Uw kleinkinderen zien u graag.” Een vaag glimlachje speelt dan soms eventjes rond haar mond.

Tot die laatste keer dat we , totaal onverwacht, nog een laatste keer écht communiceren, even voor middernacht. “Moeke, gij zijt het beste Moeke ooit. Iedereen ziet u graag. Ons Vake ziet u graag. Ons Gerda ziet u graag. Ik zie u graag.” Geen reactie. Tot … zij haar hand eindeloos traag omhoog wurmt. Ze punt haar wijsvinger beverig naar mij en schokt hem een centimetertje vooruit, terwijl haar halfopen oogjes glinsteren. Zelfs haar laatste bewuste daad is er een van pure liefde. Want ze bedoelt: “Neenee, jongen, ik zie júllie graag!”

“Dag Moeke, hoe is het?” – “Goedgoed, jongen. Maar: hoe is het met ú?
Hoe gaat het dáár? Alles goed, ook met de kinnekes?”

Hoe het hier nu gaat, Moeke? Niet zo goed.  Zonder u lopen we als kippen zonder kop. Maar aan de andere kant: gij weet ook hoe hecht onze familie aan mekaar hangt. Dus maak u maar niet ongerust: ooit zullen we wel eens stoppen met wenen.

“Dág, Moeke …”

Kind zonder leven

Gommair Van Rompaey uit Kessel en Maria Catharina Braeckmans uit Schilde geven in 1865 elkaar het ja-woord in Borsbeek. Ze wonen er in wijk 1, nummer 63. Maar daar lacht het geluk hen toe, wanneer je dit ‘bevallingslijstje’ bekijkt. Zes keer moet Gommair naar het gemeentehuis met een doodgeboren kind, en een zevende sterft al na een maand:

  • 1868: doodgeboren meisje
  • 1869: Maria Elisabeth (trouwt in 1912)
  • 1872: doodgeboren jongetje
  • 1873: doodgeboren jongetje
  • 1874: doodgeboren meisje
  • 1875: Petrus Franciscus (trouwt in 1904)
  • 1877: Cornelius Constantinus, overlijdt na een maand
  • 1878: doodgeboren jongetje
  • 1884: doodgeboren meisje
21 juni 1868, Borsbeek: Gommarus Van Rompaey, achtendertigjarige arbeider, ‘toont ons zonder leven een kind van het vrouwelijke geslacht’. Hij ondertekent de akte zelf niet, omdat hij analfabeet is.

Sloffenbreidster

Rare beroepen, verdwenen beroepen: je komt er wel wat tegen wanneer je al tienduizenden aktes doorsnuffelde. Maar dat in de huwelijksakte (Boom, 1911) van Camiel Van Rompaey is voor mij een primeur. Zijn kersverse echtgenote is sloffenbreidster van beroep. Wat overigens past bij haar familienaam: Holvoet. 😉

De ambtenaar noteert als beroep ‘sloffenbreidster’ voor bruid Ernestin Holvoet, die tekent
Huwelijksakte Boom, 1911/89:
Jan Camiel Van Rompaey, verver uit Brussel, trouwt op 2 september 1911 met Paulina Ernestina Holvoet, stoffenbreidster

Boomse pantoffelfabrieken

Ik denk nog even aan een vergissing (stoffenbreidster)?, maar kom ‘sloffenbreidster’ in die periode vaker tegen voor andere Boomse bruiden, zoals Maria Elisabeth De Maeyer (x1908), Catharina Julia Huysmans (x1910) en Irma Maria Claes (x1911).

Oké, googelen maar! Met ‘pantoffelfabriek Boom’ beland ik bij eeuwelinge Fieneke. Die werkte in het interbellum ’s zomers in de steenbakkerijen en ’s winters in de Boomse pantoffelfabriek Van Dooren.

De Zelfende Sloefenmaaksters

Het ‘Streekverhaal Rupelstreek’ door Bailleul geeft me de achtergrondinfo die ik zoek:
“In het centrum van Terhagen, op de plaats waar vroeger een pantoffelfabriek stond, werd in 2012 het standbeeld ‘De Zelfende Sloefenmaaksters’ onthuld. Dit bronzen beeld van kunstenares Francien Maas is een eerbetoon aan de vele vrouwen die werkten in de pantoffelfabrieken, de steenbakkerijen en de landbouw. Sloefen waren een primitief schoeisel uit repen stof dat vooral in de koude wintermaanden in klompen of laarzen gedragen werd. De pantoffelnijverheid in Terhagen kende vooral kort na de Eerste Wereldoorlog een grote bloei. Als er in de wintermaanden geen stenen gemaakt moesten worden, produceerden de vrouwen sloefen.”

De Zelfende Sloefenmaaksters: standbeeld in Terhagen (Rupelstreek) (Copyright GVA)

Sloefen maken was een bijverdienste om het hoofd boven water te houden. De repen stof kwamen oorspronkelijk van de lange oorlogsjassen die de Duitse soldaten hadden achtergelaten. In de Rupelstreek waren zowat tachtig pantoffelfabriekjes actief. En waarom ‘zelfende’ sloefenmaaksters? ‘Zelfen’ was vaktaal voor ‘ontrafelen’.

Wekt het overigens verbazing dat de (synthetische) nazaten van die klompsloffen nog altijd geproduceerd worden in … Nederland?

Kijk, zo kom je nog eens iets te weten. Bijvoorbeeld ook over de populaire opvolgers van de primitieve sloefen: de iconische pantoffels van het Nielse merk Eskimo. Die blies zaakvoerder van In ’t Pantoffeltje nieuw leven in.

En zo is nieuw en oud alweer verbonden door … sloffenbreidster Ernestine.

Reis rond de wereld in 1 dag

Genealogie is vaak wroeten, zweten en grommen tot je eindelijk dat definitief verloren gewaande familielid hebt opgespoord – op de meest onwaarschijnlijke plaats in duffe aktes.
Maar soms lacht het geluk je toe. En typ je op een blauwe maandag ‘Van Rompaey’ in de nieuwe beeldenzoeker van FamilySearch. Eerst een tegenvallertje: er blijkt (nog) maar een Van Rompaey-foto in de database te zitten. Maar daarop lacht een energieke, breedgekopte man me vanuit een grijs verleden joviaal toe. Het is Leslie Sydney Joseph Van Rompaey uit Australië.

Leslie Van Rompaey (Australië, 1891-1962)

In de voetsporen van vader Alfred

Ik ben meteen alert. Austrálië?! Daar een Van Rompaey?

Wat verder snuffelend ontdek ik zijn vader, Alfred Charles Van Rompaey. Hij is overleden in Frankrijk, maar ooit geëmigreerd naar Australië vanuit … Hemiksem. Omdat ik zijn geboortedatum (1857) erbovenop krijgt, vind ik hem in een wip in mijn database van 9000 Van Rompxxx’s als Alfredus Carolus Van Rompaey.

Alfred blijkt getrouwd te zijn met Anne Sabine Laure, een Française geboren op Réunion, een eilandje naast Madagascar.
Maar duikt in 1901 met zijn gezin en twee huishoudsters toch op in de volksstelling van Kent, een graafschap tussen Londen en Dover. Van zijn (nog in leven zijnde?) kinderen zijn de eerste vijf geboren in Australië, de volgende in Aix-les-Bains in Frankrijk, en de jongste in Kent zelf. What a mess.

Ik snuister nog wat verder tot plots … het internet uit zijn voegen bárst van de informatie.

Wolhandelaars

Leslie Van Rompaey, de man op de foto, laat her en der sporen na, die dankzij digitale archivering een eeuw later zonder moeite boven water komen. Hij is een wolhandelaar, net zoals zijn vader, die per schip de wereld rondreist om wol te kopen en te verkopen.

Zo vaart Leslie in juni 1928 met de SS Aquitania van Cherbourg (Frankrijk) naar de Verenigde Staten. Blijkbaar in het gezelschap van collega-wolhandelaar Richard Redlich, een 48-jarige Argentijn van Duitse afkomst, met een visum voor Amerika dat in Brussel werd afgeleverd. In 1937 gaat het bijvoorbeeld van Victoria, Vancouver Island in Canada naar Amerika – enzovoort.

Passagierslijst van de SS Aquitania: in juni 1928 vaart Leslie Van Rompaey als wolopkoper van Cherbourg naar de Verenigde Staten.

Leslies echtgenote heet Trude Abrecht.
Ook zij is een kind van immigranten: haar vader komt uit Stuttgart (Duitsland), haar moeder uit Gravesend in … Kent (VK). Prima, nu weet ik alvast wat Leslie en Trude daar te zoeken hadden!

Leslies zonen in de krant

Geneanet verwijst me naar de Australische krant The Argus uit Melbourne waarin Leslies naam meermaals voorkomt. Pft: zonder precieze indexering wordt dat zoeken in een hooiberg! Tot ik het – eigenlijk voor de hand liggende idee heb – om eerst in de pagina met familiale berichtjes te duiken.

En daar stáán ze, de beide zonen van Leslie en Gert: Alfred Robert (Bob) (1917-1993) en Gerald Leslie (1921-2005). En ken ik ook meteen de naam van hun echtgenotes en hun trouwdata: 1943 en 1945 – bijna een eeuw nadat hun grootvader Alfred in Hemiksem werd geboren.

Op 13 februari 1943 trouwt Leslies zoon Bob Van Rompaey in Melbourne (Australië) met Elizabeth Mary Coote
Op 30 januari 1945 trouwt Leslies zoon, onderluitenant-vrijwilliger Gerald Leslie Van Rompaey, in Melbourne (Australië) met Margaret Frances Alda Savill

Beelden uit de oorlog

Door onderluitenant Gerald Van Rompaey van het vrijwilligerkorps kom ik in de Australische legerarchieven terecht. En die zijn uiterst precies gedocumenteerd! Wat dacht u van deze foto’s van ene G A Van Rompaey op de Salomonseilanden in de Slag bij Hongorai River.

Solomon Islands, Bougainville-campagne: group portrait of the personnel of No. 6 Troop, B Squadron, 2/4th Armoured Regiment. Left to right, back row: WX16726 Trooper (Tpr) G A Van-Rompaey of Victoria Park, WA; NX147039 Tpr G M Yabsley of Coraki, NSW; NX70809 Lieutenant D R Roughton of Cremorne, NSW; VX125454 Tpr R J Wilkinson of Caramut, Vic; WX16875 Tpr W V Cody of Fremantle, WA. Front row: SX023257 Tpr F J Sherwell of Nhill, Vic; SX23574 Corporal (Cpl) E R Dungey of Noarlunga, SA; WX13459 Cpl J E R Marmion of Carnarvon, WA.
Bougainville, 22 mei 1945. Matilda-tanks van het B Squadron van het 2/4 Armoured Regiment.
Ze rijden ten zuiden van de Hongorai-rivier over de Buin-weg naar de C-Compagnie, 24ste infanteriebataljon op Egan’s Ridge. Die plaats is door de Japanners opgegeven na bombardementen door Corsairs van de Royal New Zealand Air Force. De tankbestuurder is stoottroeper G A Van Rompaey

Wie is soldaat George Armond Van Rompaey eigenlijk? Een blog van tankfanaten leert me dat ik die info vind op de WW2 Nominal Roll. Google brengt me linea recta naar de Department of Veteran’s Affairs. En enkele zoekseconden later verschijnen de drie Australische Van Rompaeys die in de Tweede Wereldoorlog dienden:

  • Leslies oudste zoon, Alfred Robert (Bob), sergeant, diende van augustus 1940 tot december 1945;
  • Bobs broer Gerard Leslie van september 1941 tot september 1942, en meteen daarna als vrijwilliger (onderluitenant) van oktober 1942 tot februari 1946.

Ook West-Australische Van Rompaeys

De derde Van Rompaey is de tankbestuurder Armond George, geboren op 21 oktober 1922 in Donnybrook, Western Australia, die op zijn achttiende dienstplichtige was tot in april 1946. Het enige wat ik verder uit deze database weet, is dat van hij de zoon van Oscar Van Rompaey is.

Terug naar Google dus, met Oscar Van Rompaey Australia? En … bingo!

Het gaat om schrijnwerker Oscar Adolphus Van Rompaey die pas in 1921 naar Australië immigreert. Hij is geboren op 2 december 1888 en getrouwd met Emma, 3 kinderen. Op 18 oktober 1943 wordt hij genaturaliseerd. (Hoe dit koppel aan de Van Romp-boom hangt, moet ik nog uitvissen.)

1943: naturalisatie van Oscar Adolphus Van Rompaey, die er zich in 1921 met zijn Emma in West-Australië vestigde

Blijkbaar is hun familienaam geen makkie voor Engelstaligen, want op de kiezerslijsten van 1949 wordt die van hen anders geschreven dan die van hun oudste, stemgerechtigde dochter:

1949, kiezerslijst: Oscar en Emma krijgen een andere familienaam toebedeeld dan hun dochter 🙂

Leslies dochter in de krant

Terug onze man-op-de-eerste-foto, Leslie, nu. Zijn twee zonen zijn terecht, nu hun zus Pamela Van Rompaey nog.

Haar huwelijksdatum vind ik (voorlopig) niet. Wel iets wat minstens zo sappig is. De high society roddelpagina van diezelfde Melbourne-krant (rubriek The Week from the Woman’s Angle) doet in februari 1946 uit de doeken hoe Pamela haar 21ste verjaardag viert! Het feestvarkentje praalt in een jurk van satijn en kant, meegebracht uit de UK door een tante, en studeert aan het tandheelkundige hospitaal:

1946: The Argus van Melbourne doet uit de doeken hoe Pamela Van Rompaey haar 21ste verjaardag viert

Bij de genodigden treffen we ook haar beide broers. De verwezenlijkingen van hun echtgenotes worden in de verf gezet: Margaret is bachelor in de wetenschappen en Elisabeth een bekende zangeres.
‘Uiteraard’ – het is tenslotte nog 1946 – zijn beiden nu, na de geboorte van hun eerste kind, druk als moeder in de weer.

Leslies vader Alfred in de krant

Ik besluit de Trove-database eens aan de tand te voelen over al die Australische Van Rompaeys, en word … bedólven onder de krantenartikels. Zoals het paginavullende verslag op 22 augustus 1902 in de Sydney Wool and Stock Journal (pdf). Onderwerp: het erediner voor Leslies vader, Alfred Van Rompaey uit Hemiksem (1853-1935).

Alfreds vennootschap heet Ostermeyer, Dewez, and Van Rompaey en hij is in 1902 maar even op bezoek in Sydney. Hij spant zich immers ‘aan de andere kant van de oceaan’ in voor de directe aankoop van wol, zonder tussenpersonen. (Dat verklaart dus de volkstelling van 1901 in Kent – zie hoger).

Alfred vertelt dat hij in 1880 in Sydney aankwam en het in 1895 verliet. De wolomzet vertienvoudigde in die periode. En dat resultaat is grotendeels aan hem te danken, zo blijkt uit de speech van de voorzitter. Die roemt hem als de grondlegger van de rechtstreekse wolverhandeling in Sydney. Degene die de chaos in de wolhandel structureerde toen hij als taaie ‘Continental buyer’ op de scène trad.

1902, Sydney (Australië): Alfred Van Rompaey (1853-1935) wordt in de bloemetjes gezet voor zijn verdiensten in de wolhandel van de stad (artikel als pdf)

Nu had Alfred Van Rompaey zijn sporen al verdiend, zo blijkt uit de Evening News van Sydney. Want in 1881 werkt hij al – maar 26 jaar oud – als ‘acting consul for Belgium’ voor de wolhandelaars Ostermeyer, Dewez, and Co. Hij had zich toen dus nog niet in het bedrijf ingekocht.

Terwijl hij wol inspecteert, valt er een baal op hem, die hem omverwerpt. Gevolg: een gebroken been en zijn aangezicht in de lappendeken. Wat een barslechte timing, nu hij net uit Europa is teruggekeerd voor het Australische wolseizoen!

1881: Alfred Van Rompaey uit Hemiksem breekt als waarnemend consul in Australia zijn been wanneer er een baal wol op hem dondert.

Later wordt Alfred volwaardig Belgisch consul in Sydney, zoals blijkt uit dit knipsel uit de katern ‘Government Gazette’ van 1886 in de Evening News van Sydney:

Over de jaren heen bulken de Australische kranten van de knipsels van schepen die in Australische havens aanmeren voor het agentschap.

In een artikel uit 1910 (pdf) mijmert Alfred Van Rompaey, die na 8 jaar afwezigheid nog eens terugkeert naar Australië:
“Wie koopt in Australië tijdens het wolseizoen huivert bij de vraag of het handelsklimaat in de productie- en consumptiewereld de betaalde prijs zal rechtvaardigen. Die druk is enorm. De zomer hier [in Australië] doorbrengen om dan naar Europa terug te keren om daar dan weer de zomer in constante spanning door te brengen? Alleen de allersterksten kunnen dat aan zonder te breken. Velen hebben er het bijltje te vroeg bij neergegooid […]”

Ook het Ostermeyer, Dewez, and Van Rompaeypartnerschap wordt in 1911 stopgezet.

1910: Ostermeyer, Dewez, and Van Rompaey als agentschap van talloze schepen die op Australië varen

Blijkbaar verhuist hij daarna naar Frankrijk, want dat land naturaliseert hem in 1927. Acht jaar later overlijdt hij.

1927: Franse naturalisatie van Alfred Van Rompaey (1853-1935)

Leslies zoon Robert opnieuw in de krant

En het internet blijft maar info over deze familie geven!

Want het volgende artikel dat ik aanklik, rakelt A.R. (Alfred Robert of ‘Bob’) Van Rompaey weer op, de oudste zoon van Leslie, samen met zijn echtgenote Elizabeth Coots.
Blijkbaar is in 1952 een Australisch koppel uit de upper class dat negen maanden ‘overzees’ gaat, genoeg om de krant te halen!

Alfred Robert (Bob) Van Rompaey en Elizabeth Coots keren eind 1952 Australië negen maanden de rug toe om zich in Europa te vervolmaken in hun bezigheden.

Bob gaat als architect de design- en bouwtechnieken van het oude continent bestuderen, terwijl sopraan Elizabeth hetzelfde doet voor opera- en leermethodes. Hun kinderen Christopher en Julian worden intussen bij Elizabeths ouders in North Balwyn geparkeerd. Bobs ouders – Leslie en Trude – houden een ‘bon voyage’-open huis in hun nieuwe woning in Balwyn. Die ontwierp Bob trouwens voor hen.

Wat een massa informatie in een klein artikeltje!

En het wordt nóg beter. In een 1966-nummer van het magazine The Australian’s Woman Weekly. Daarin gidsen architect Bob en Elizabeth ons zelfs door hun eigen woning!

Drie pagina’s met talloze foto’s van het huis dat architect Robert (‘Bob’) Van Rompaey in 1966 herbouwt voor zijn gezin en zijn … schoonmoeder.

Bob is architect en bespreekt de moeite die het hem kostte om een huis te verbouwen dat drie generaties accommodeert: hem en zijn vrouw, hun twee zonen Christopher en Julian, én zijn schoonmoeder. Niet alleen blijkt Mrs. Van Rompaey (Elizabeth, dus) alle stoffen in het huis eigenhandig genaaid te hebben, ze is ook een begaafd pianiste en musical director at the Methodist Ladies’ College.

Hoe gek is dit eigenlijk : een virtuele rondgang (pdf) in het huis van Australische Van Rompaeys in de jaren zestig!

De wereld is rond, de cirkel ook

Wie de tak van de Australische Van Rompaeys verder wil volgen, neemt beter zijn reisgids bij de hand.

Sommigen zwermen in Australië zelf uit, Alfreds oudste dochter Louise overlijdt in Cannes (Frankrijk) en dochter Anna Victoria in Zwitserland.

En Alfred Carlos gaat als Alfredo met zijn geliefde Sofia Moreno in Uruguay wonen. Zij is de dochter van een … Italiaan. Hun kinderen, bijvoorbeeld Juan Leslie, krijgen de dubbele Zuid-Amerikaanse familienaam – van vader én moeder: Van Rompaey Moreno.

1964: visum voor Brazilië van de Uruguayaan Juan Leslie Van Rompaey Moreno. Hij draagt, zoals in Zuid-Amerika gebruikelijk is, een dubbele familienaam: van vader én moeder

Elena Moreno Borda Bossana, een Argentijnse, somt op Geneanet Alfredo’s kinderen en kleinkinderen op – lucky me. En ik ben even blij dat ik nu de Zuid-Amerikaanse Van Rompaeys een wederdienst kan bewijzen door hen de weg te wijzen naar hun (aangetrouwde) Vlaamse voorouders.

De Argentijnse Elena Moreno Borda Bossana (+) wijst me op Geneanet de weg naar de Uruguayaanse nazaten van Alfred Carlos Van Rompaey – zoon van de breed lachende Leslie Sydney Joseph Van Rompaey, met wie dit hele verhaal begon!

En zo is de (wereld)cirkel rond!

Verspreiding van de Van Rompaey-naamsvariant (Forebears.io)

Wereld in de palm van je hand

Het verhaal van deze Van Rompaey-tak is nog lang niet uitgeschreven. En heel wat data moet ik nog dubbelchecken.
Toch wilde ik u niet onthouden wat een dag louter onlinespeurwerk aoplevert – als je het geluk hebt dat die familietak begoed én bereisd is.

Met genealogie houd je zo écht de wereld in de palm, ook in coronatijden.

Lijk in Mechelse stadsgracht

In de ochtend van 21 augustus 1840 dobbert er een lijk in de Mechelse omwallingsgracht. Peter De Wit, een Mechelse kruidenier, herkent er zijn halfbroer in. Het gaat om Jan Cornelis Vanrompaye, een ‘rondgaande koopman in specerijen’ uit Boortmeerbeek, 54 jaar en ongetrouwd. Hij is de zoon van wijlen Egidius en Anna Catharina Van Eijlen.

Zijn overlijdensakte (Boortmeerbeek, OA 1840/26) verhaalt wat halfbroer Peter en 77-jarige schoonbroer Jacobus Coen, bevestigen:

“Vandaag ten zeven uren smorgens heeft getrokken geweest uyt de gracht van de stad aen het bolwerk tusschen de poorten van Egmont en van Loven, ten gehuchte Hanswyck onder Mechelen, een dood lichaam hetwelk zij hebben erkend te wezen hetgeen van Jan Cornelis Van Rompuy, rondgaenden koopman in specerijen, geboren te Boortmeerbeek, oud vier en vijftig jaeren, ongetrouwden zoon van Egidius Van Rompuy en Anna Catharina Van Eylen, beyde overleden.”

(Kopie van de) Boortmeerbeekse overlijdensakte van Jan Cornelis Van Rompuy (21//08/1840). Zijn naam eindigt hier op ‘puy’, omdat deze akte een afschrift is van die van Mechelen, waar Van Rompuys uit een andere familietak leefden, en de ambtenaar gemakkelijkheidshalve die schrijfwijze overnam voor de dorpeling die er toevallig stierf.

De overlijdensakte van het dorp waar hij woont, Boortmeerbeek, is het afschrift van de originele akte voor Jean Corneille Van Rompuy, die in de plaats van overlijden werd opgemaakt: Mechelen. En daar gebeurde dat nog in het Frans:

Originele Mechelse overlijdensakte van Jean Corneille Van Rompuy (21//08/1840) – ‘bolwerk’ is hier ‘boulevard’

Of venter Jan Cornelis er chique zal uitgezien hebben, valt te betwijfelen. Maar dit is in elk geval een daguerrotypie-foto van een anonieme ‘colporteur‘ uit het jaar 1840:

Foto (daguerrotypie) van een anonieme ‘colporteur’ in 1840

Al is de kans groter dat bij eerder dit type was:

Tekening van een ‘porte-balle’ door Karl Girardet (1851)

Van gracht naar ondergrondse parking

Waar de onfortuinlijke venter Jan Cornelis dobberde? Daar waar nu de Henri Speecqvest zich rond de stad plooit. Die ontstond als ‘Boulevard d’Egmond’ toen vanaf het midden van de negentiende eeuw de metersbrede omwallingsgracht werd gedempt. Het logische vervolg van de eerdere afbraak van de knellende middeleeuwse omwallingen en stadspoorten.

Mechelen in 1800 (Regionalebeeldbank.be): de stadomwalling staat nog recht en de brede omwallingsgracht is nog niet gedempt.
Je herkent de Dijle die zich door de stad slingert, met de geometrische kruidtuin ernaast. De omwallingsgracht loopt verticaal en duikt onder de Leuvense Steenweg met de Leuvense Poort (ook: Hanswijkpoort). Een beetje verderop dobberde Jan Corneel in 1840.

Jan Corneel Vanrompaye is gevonden in het stuk tussen het huidige Raghenoplein en het Kardinaal Mercierplein. Dat laatste heette toen nog de Egmontpoort, net aangelegd om de stad met haar nieuwe station te verbinden – op de plaats waar in 1835 de allereerste trein op het Europese vasteland toekwam.

Mechelen in 1858: wat een verandering! De stadsomwalling is verdwenen, en de gedempte omwallingsgracht werd de brede Boulevard d’Egmond. De Leuvense Poort (Hanswijkpoort) is nu het cirkelvorige Raghenoplein. En onderaan op de kaart is het Egmontplein verrezen, met ervoor de twee ‘kommiezenhuizen’, die samen de Egmontpoort vormen.

De Egmontpoort werd gevormd door de twee ‘kommiezenhuizen’, waar je poortgeld betaalde om de stad in of uit te mogen. Uit de gracht die er onderdoor liep, werd het lijk van Jan Corneel Vanrompaye gevist.

De commiezenhuizen die de Egmontpoort vormden, waar je tol betaalde om de stad in te mogen.
Uit de gracht werd in 1840 op een zomermorgen het lijk van Jan Corneel Vanrompaye gevist.
(Regionalebeeldbank.be)

Zoekt men dus een meer tot de verbeelding sprekende naam dan het oersaaie Q-Park Bruul voor de ondergrondse parking die nu op de vindplaats van het lichaam ligt? Dan stem ik alvast voor Jan Corneel-parking!

Q-Park Bruul: voortaan beter gekend als de Jan Corneel-parking. 🙂