Gefusilleerd

Hun bloed spat tegen de muur van de kathedraal. Kreten van Mechels afgrijzen én enthousiasme smoren hun kermen. Terwijl zij, met z’n vijftienen, kronkelend van de pijn, smeken om genade. Maar die komt er niet. Want vanop tien passen weerklinkt het tweede Franse salvo. En dan nog bewegen er her en der ledematen, van hen die vervolgens afgemaakt worden met sabel of pistool.

De tweede groep van vijftien Brigands wordt in de gevangenis uit het bed gelicht. Ook zij denken dat de sansculotten hen naar Antwerpen zullen brengen. Ook zij grissen haastig hun knapzak of kalebas en een homp brood voor onderweg. Ook zij worden geëscorteerd naar de executieplaats van hun makkers: het Sint-Romboutskerkhof, naargeestig verlicht door een venijnige wind die de toortsen haast dooft. Alleen weten zij meteen wat er hen wacht als ze op een meter van elkaar opgesteld worden tussen de lijken van hun voorgangers. Toch zakken er van hen ook op de knieën: om de hemel te aanroepen of om zich voor de voeten van hun beulen te werpen. Die krijgen het bevel van hun officier om enkele stappen naar voren te doen voor het schieten. Tevergeefs, want nu leggen zelfs drie salvo’s niet iedereen definitief het zwijgen op. Ook nu snijden bajonetten enige doodsreutels af.

Jan Michiel Van Rompaij klimt met de elf laatste boerenkrijgers .

De Romp

Brusselse jonker in 1626

Brusselse jonker in 1626

Barbara Van Rompaije haalt in februari 1626 opgelucht adem. Want dan legitimeert de Raad van Brabant de onwettige zoon die zij heeft met jonker Jacques Sanglier, heer van Opdorp. Daarmee is de toekomst van de baby veilig gesteld.

De transcriptie van de Legittimatie waaruit dit blijkt, valt trouwens zomaar in mijn mailbox. Afzender: Paul Peeters uit Werchter, een gepassioneerd genealoog. De Van Rompaeys danken je, Paul!

Jonkheer Jacques Sanglier

Wie Barbara Van Rompaije is, weet ik helaas nog niet, want ze laat geen sporen van haar afkomst na – noch in de akte, noch in de parochieregisters.

Jacques Sanglier is wel gekend: hij is de Heer van Weez en Sart. En die van Opdorp, een erfenis van zijn grootvader, ridder Theodorick de Liefvelt. Opdorp verkoopt hij trouwens rond 1630 na een rechtszaak, in de nasleep van Theodoricks collaboratie met de Nederlanden tegen de Spaanse bezetter.

Maar goed, in 1626 is Jacques Heer van Opdorp en richt hij een verzoek tot de Raad van Brabant. Dat is het hoogste rechtscollege van het hertogdom Brabant, dat ook de zaken afhandelt waarin edelen betrokken zijn. In het geval van Jacques: willen jullie mijn bastaardzoon legitimeren?

Baby Jacques Sanglier

Naar de aard van de relatie tussen jonker Jacques Sanglier en Barbara Van Rompaije tasten we in het duister. Maar feit is dat in de parochieregisters van Sint-Michiel en Sint-Goedele hun namen twee keer als ouders opduiken: in 1623 en 1625. Dan doopt de pastoor een baby, die telkens Jacques’ voornaam meekrijgt: Jacobus Sanglier.

Doopregister Sint-Michiel & Sint-Goedele, 16 augustus 1623: doop van Jacobus, onwettige zoon van Jacobus Sanglier en Barbara Van Rompaij.
Illegit(im)(us) – Jacobus filius Jacobi Sanglier, Barbarae Van Rompaij, suscep(tores)
Thomas van Meyensteen, d(omicil)la Anna Swerts.
Doopregister Sint-Michiel & Sint-Goedele, 14 januari 1625: doop van Jacobus, onwettige zoon van Jacobus Sanglier en Barbara Van Rompay.
Illegit(im)(us) – Jacobus filius Jacobi Sanglier, Barbarae Van Rompay, susep(tores)
d(omicel)lus Joannes Huiowel Huioel, d(omicel)la Anna Swerts.

Oytmoedige supplicatie

De eerste baby overlijdt hoogstwaarschijnlijk jong, maar met de tweede zit vader Jacques in zijn maag, want hij vraagt om die ook wettelijk te legitimeren.

De legitimatieakte die dit bevestigt, begint rechttoe-rechtaan – na de majesteitelijke aanspreking:

Akte van 11 februari 1626 uit de registers van de Rekenkamer met legitimaties, remissies en kwijtscheldingen door de Raad van Brabant. (Register 656, folio 24v – 25v).
Aanhef van de legitimatie-akte van de onwettige zoon van Jacques Sanglier en Barbara Van Rompaije.
"Wij hebben ontfangen die oytmoedige supplicatie van joncker Jacques Sanglier, heere van Opdorp, etc(eter)a, inhoudende dat hij noch tegenwoordich jongman wesende ende ongebonden, heeft eenen sone verweckt aen jouffrouwe Barbara Van Rompaije, oijyck jonge dochter, ende oversulcx bijde vrij persoonen ende buyten houwelijck [...]"

Bij de reden van zijn vraag wordt het al wat moeilijker:

"welcken zone den suppliant in teecken van affectie heeft gegeven zijnen voors(chreven) naem Jaecques ende dijen alsoo geerne soude voeden ende opbrengen in deuchden onder onse gehoorsaemheyt om hem t' sijnder tijt te mogen beneficieren soo vele ende verre die voors(chreve) vaederlijcke affectie haer strecken sal, doch alsoo het gebreck sijnder voorverhaelde geboorte hem soude mogen obsteren in eenigen staet, daertoe den suppliant hem soude mogen begeven, des hem noch ter tijt onbekent is, als wesen(de) den voornoempden zone luttel meer als een jaer oudt, [...]"

Lees: de baby van iets meer dan een jaar oud draagt al zijn naam, maar kan niet erven omdat hij een onwettig kind is. Bovendien:

"daerbij gevuecht dat den selven commende tot ouderdom van verstande ende discretie ende wetende het voors(chreven) gebreck hem daer door soude mogen soo descouraigeren, dat hij suppliant ale moyte ende cost van leeringe ende nutte oeffeninge te vergeeffs soude doen om hem tot eenigen eerlijcken staet te brengen [...]"

Kortom: Jacques’ moeite om hem als zijn zoon op te voeden, zou tevergeefs zijn, als die vroeg of laat ontdekt dat hij een bastaard is.

De rest van de akte bestaat uit een pak gezwollen ambtenarees dat de vraag van jonker Jacques inwilligt en hem de kost hiervoor aanrekent.

Meter wordt echtgenote …

Anne Swerts, de meter die bij beide onwettige kinderen in het doopregister opduikt, maakt de zaak vreemder dan ze op het eerste gezicht lijkt.

Want op 2 augustus 1627 trouwt Jacques Sanglier met haar – ook al zijn ze tweedegraadsverwanten:

Parochieregister Onze-Lieve-Vrouw van de Kapel in Brussel: op 2 augustus 1627 trouwt Jacobus Sanglier met Anna Swerts.

Anne is bovendien niemand minder dan de gouvernante van Jacques! Dat blijkt uit de inventaris van de officialiteit van het aartsbisdom Mechelen. Het is de kerkelijke rechtbank waarmee de bisschop inbreuken tegen de katholieke leer in zijn bisdom kan laten onderzoeken en bestraffen. En Jacques en zijn gouvernante bleken zowaar vlees gegeten te hebben in de vastenperiode:

Jacques en Anne kregen geen kinderen, zo meldt Jan Caluwaerts me. Hij duikt hiervoor in de manuscripten van Jean-Baptiste IV Houwaert, een zeventiende-eeuwse Brusselse schepen (1626-1688). Die stelde een immens werk op met historische en genealogische informatie uit de Brusselse archieven: het Fonds Houwaert.

Fonds Houwaert, KBR, hs II 6598 p. 308: Jacques Sanglier en zijn twee echtgenotes duiken op in de genealogie van de familie de Liefvelt.

In de genealogie van de familie Liefvelt noteert Houwaert aan de linkerkant dat Adriana de Liefvelt getrouwd is met Jaques Israel Sanglier, en tekent hij diens wapenschild: drie everzwijnen.

Aan de rechterkant staat hun zoon, ‘onze’ Jacques Sanglier, geboren in Keulen:

Hertrouwd én gepluimd

In 1645 vind ik in de Brusselse parochieregisters van Sint-Gorik (Saint-Géry) inderdaad die tweede trouw:

Parochieregisters Sint-Gorik (Saint-Géry) in Brussel: op 21 februari 1645 trouwt Jacobus Sanglier met Margarita Van Geendertaelen.

Marguerite laat er geen gras over groeien om Jacques’ fortuin veilig te stellen aan háár kant van de familie. Want een maand na hun trouw schenkt Jacques zijn deel van de vijvers in Sint-Amands, die hij erfde van zijn grootvader Thierry de Liefvelt, al aan de kinderen van Marguerites zus (die getrouwd is met kapitein Alexander Hoefnagel):

Bron: Publications de la Section historique de l’Institut royal Grand-ducal de Luxembourg (Volume 55, 1868)

En een jaar later stelt ze de rest van het bezit veilig in hun gezamenlijke testament:

Bron: Publications de la Section historique de l’Institut royal Grand-ducal de Luxembourg (Volume 55, 1868)

Een zekere Catherine Van den Bossche gaat hiermee niet akkoord, zo blijkt uit een proces van 1657 voor het Leenhof van Brabant. Daarin eist ze de helft van de heerlijkheid Weez op van Jacques’ tweede echtgenote Van Ghindertalen:

"Geubels, pour sa femme Catherine Van den Bossche, suppliant c. Marguerite Van Ghindertaelen, veuve de Jacques Sanglier, rescribente. Revendication par le suppliant de la moitié de la seigneurie de Wees, près de Genappe, à titre d’héritier d’Anne Sweerts, première femme de Jacques Sanglier. Décidé le 17 octobre 1657."

Ze wordt uiteindelijk in het gelijk gesteld, zo blijkt uit een oude beschrijving van de Heerlijkheid Wez. Want in 1661 schenkt Marguerite de helft van Wez aan Alexander Hoefnagel, en de andere helft aan Catharine Van den Bosch. Zij blijkt trouwens de halfzus te zijn van … Anne Swerts, Jacquese eerste vrouw.

Het blijft toch merkwaardig hoe vanuit ons perspectief tijdens het ancien régime dorpen verhandeld worden als koopwaar!

De Zeven Geslachten van Brussel

In zijn trouwjaar treedt Jacques ook toe tot de prestigieuze Zeven Geslachten van Brussel. Dat las u hierboven in het manuscript van Houwaert trouwens ook al:

Bron: Publications de la Section historique de l’Institut royal Grand-ducal de Luxembourg (Volume 55, 1868)

Het basisprincipe van de Zeven Geslachten is eenvoudig: hoe zorg je ervoor dat macht en rijkdom telkens naar je terugvloeien? Door ze nooit uit handen te geven. Zo bepalen zeven patriciërsfamilies vijfhonderd jaar lang het reilen en zeilen van Brussel , een privilege dat hertog Jan II van Brabant in 1306 bekrachtigt.

De zeven clans kiezen uit hun eigen midden de ‘juiste’ mensen voor alle belangrijke mandaten van de wetgevende, rechterlijke, economische en uitvoerende macht:

  • burgemeester
  • schepenen (die besturen én recht spreken)
  • deken van de lakengilde (de belangrijkste gilde)
  • penningmeesters en schatbewaarders
  • kapitein van de burgerwacht
  • opperopzichter van de schuttersverenigingen

Het ’toelatingsexamen’ om tot deze oligarchie toe te treden? Niét werken.

Letterlijk: men mag geen ambacht uitoefenen en moet uitsluitend van rentes leven. En uiteraard aantonen (‘preuve van afkomst’) dat men afstamt van een van de zeven families – via vaders- of moederskant. Zo sluipen trouwens voortdurend nieuwe familienamen binnen. Al mogen alleen mannelijke katholieke Brusselse burgers toetreden tot de Zeven Geslachten. En voor hun onechte kinderen blijft de deur potdicht.

Jacques Sanglier verwerft aanzien

Hoewel het aanvankelijk alleen om welstellende families gaat, worden ook edellieden, ridders en dorpsheren niet geweerd – zolang ze maar poen hebben. En die heeft jonker Jacques Sanglier, net als de juiste afstamming. Want via zijn moeders kant (de Liefvelt) is hij de kleinzoon van Marie Herdinck. En zij is een telg uit het nageslacht van Engelbert Herdinck, Brussels schepen in 1492, 1497, 1502 en 1507 – en lid van de Coudenberghs, een van de Zeven Geslachten.

Geld doet de wereld draaien. En dat klopt, maar het moet wel door iemand gegenereerd worden: de ambachtslui. Logisch dat degenen die hén in hun macht hebben – de gilden, die zich verenigen in Naties – ook een deel van de koek willen. En die krijgen ze, na het nodige bloedvergieten, ook van de Zeven Geslachten. Al zijn die niet op hun achterhoofd gevallen bij de verdeling van de postjes tussen Geslachten en Naties:

  • burgemeester vs. tweede burgemeester
  • zeven schepenen vs. zes raadsleden
  • deken vs. tweede deken van het lakengilde

Kortom: komt puntje bij paaltje en moet er gestemd worden? Dan trekken de Geslachten het laken altijd weer naar zich toe. En daar worden hun leden, zoals Jacques Sanglier, lid van het geslacht Coudenbergh, alleen maar beter van.

Tot de Franse revolutionairen aan die machtspositie een einde maken. Wel, op papier toch.

Vader onbekend (x6)

Vader onbekend (x6)

Catharina Vanrompaey uit Keerbergen in het noorden van Vlaams-Brabant, baart op twintig jaar tijd liefst zes onwettige kinderen. Waarna haar dochter de traditie voortzet. Een familiekroniek …

Catharina Vanrompaey (°1835)

Catharina Vanrompaey [14605] is het achtste en voorlaatste kind van landbouwers Livinus Van Rompaÿe en Theresia Van Rompaÿ, beiden uit Keerbergen.

(Let overigens niet op de verschillende schrijfwijzen van de familienaam van beide ouders, die ze van een pastoor kregen. Want ze trouwen beiden voor de burgerlijke stand als ‘Vanrompaye’, overlijden beiden als ‘Van Rompaey’, en heten in Catharina’s geboorteakte beiden ‘Vanrompaey’.)

De dag na haar geboorte in november 1835, geeft haar vader haar bij de burgerlijke stand aan:

Keerbergen, 6 november 1835: de achtendertigjarige, ongeletterde landbouwer Livinus Vanrompaey komt zijn achtste kind aangeven: Catharina, de dag ervoor geboren.

21 jaar later: grootvader vervangt vader

21 jaar later schuifelt dezelfde Livien, dan al zestig, iets minder trots hetzelfde gemeentehuis binnen. Want hij komt Rosalia aangeven, die nacht geboren in de Keerbergse wijk Peervenshoek. Zij is de dochter van zijn dan 21-jarige dochter Catharina, die … ongetrouwd is.

Keerbergen, 4 juni 1856: de zestigjarige Jan Baptist komt zijn kleindochter aangeven: Rosalia, dochter van zijn 21-jarige, ongetrouwde dochter Catharina Van Rompaey.

Reeks van 6 onwettige kinderen

Catharina heeft de smaak blijkbaar te pakken, want ze krijgt op twintig jaar tijd liefst zes onwettige kinderen – van wie er vier geen lang leven beschoren is:

  • Rosalia: 1856-1933, geboren in wijk Peervenshoek
  • Joannes: 1859-1861, geboren in wijk Peervenshoek
  • Regina: 1862-1862, geboren in wijk Papestraat
  • Paulus: 1866-1868, geboren in wijk Papestraat
  • Franciscus: 1871-1952, geboren in wijk Papestraat
  • Constantinus: 1875-1875, geboren in wijk Papestraat

Het eerste geeft, zoals gezegd, vader Livien aan, het vijfde broer Ferdinand. De vier andere worden door Jan Van Oosterwyck, gebuur en veldwachter, aan de ambtenaar ‘vertoond’ …

Popp-kaart (1842-1879)
De Papestraat loopt vanuit het zuiden naar het centrum van Keerbergen
De Atlas der Buurtwegen (1841) geeft ook de wijk Peervenshoek aan,
ten zuidoosten van de Papestraat, nabij de Hansbrug over de Dijle, waar de gemeente Haacht begint.

Catharina woont met haar kroost bij haar ouders in. Ze huizen in de Papestraat, die van het dorpscentrum zuidwaarts naar de Dijle loopt. De valleigrond is er vruchtbaar, maar de weg zelf slijkerig met diepe karresporen. Het bevolkingsregister van 1856-1866 beschrijft het toenmalige gezin:

Keerbergen, bevolkingsregister 1856-1866, p.580:
Livinus Van Rompaey & Theresia Van Rompaey wonen in de Papestraat.
Twee kinderen, Ferdinand en Catharina, wonen nog bij hen in, samen met Catharina’s (onwettige) kroost. De geboortedatum van Rosalia wordt overigens verkeerd genoteerd (1850 in plaats van 1856).

In het volgende bevolkingsregister (1867-1890) schieten op hetzelfde adres – dan Papestraat 547 – alleen nog weduwnaar Livinus over (zijn vrouw is in 1866 overleden), zijn dochter Catharina en vier van haar zes kinderen.

Keerbergen, bevolkingsregister 1867-1890, p.578:
in de Papenstraat, huis 547 wonen weduwnaar Livinus Vanrompay, zijn dochter Catharina die het huishouden bestiert, en haar (onwettige) kinderen die nog in leven zijn. (Wie doorstreept wordt, overlijdt in deze periode.)

Livinus overlijdt in 1870. Zijn dochter Catharina werkt echter dapper verder aan haar nageslacht, want in 1875 baart ze haar zesde onwettige kind. Meteen ook haar laatste, want ze sterft enkele weken later, nog geen veertig jaar oud. Haar onfortuinlijke baby bezwijkt een maand nadien.

Zo moeder, zo dochter

Slechts twee van Catharina’s zes kinderen overleven dus: Franciscus (°1871) en Rosalia (°1856).

Zo moeder, zo dochter, blijkbaar. Want Rosalia krijgt op haar negentiende in de Papestraat zélf een onwettige zoon: Ferdinandus, genoemd naar haar oom.

Keerbergen, 6 februari 1877: de onwettig geboren Rosalia Van Rompaey, dan negentien jaar en werkvrouw, bevalt zelf van een onwettige zoon, Ferdinand Van Rompaey. Aangever is Rosalia’s oom Ferdinand, een ongeletterde houtzager.

Een maand later, op 8 maart 1877, trekt Rosalia naar Brussel. Toch baart ze in 1880 in het Mechelse Nekkerspoel nog een onwettig kind: Marie. Dat wordt in 1882 gewettigd door haar trouw met Xavier Mathij. Hij is plafonneerdersgast zoals zijn vader, zij herbergierster.

Merkwaardig, en voorlopig onverklaarbaar, is de zinsnede in hun huwelijksakte: “Rosalia Van Rompaey […], natuurlijke en meerderjarige dochter van Catharina Van Rompaey, waarvan zij het bestaan niet kent.”

Ferdinand Van Rompaey, Rosalies onwettige zoon, verdrinkt in de zomer van 1933 in de Mechelse Dijle. dat gebeurt ter hoogte van het Tuinstraatje, waar hij met zijn gezin woont. Rosalia blijft dit droevige voorval bespaard: zij is een half jaar eerder gestorven in het Mechelse Gasthuis in de Keizerstraat.

Mechelen, 25 juli 1933: Ferdinand Van Rompaey, leurder, dobbert in de Mechelse Dijle ter hoogte van het Tuinstraatje, waar hij met zijn gezin woont. Aangever van het overlijden is zijn echtgenote Marie-Louise Van Der Mercken, bijgestaan door een politieofficier.

Catharina’s zoon Franciscus

Catharina’s overlevende zoon Franciscus (°1871) verhuist op 22 juli 1887 naar Mechelen, trouwt er in 1892 met Rosalia Mertens, krijgt zeven Mechelse kinderen, en overlijdt er in 1952 in het Gasthuis in de Keizerstraat.

Het grootste deel van zijn leven is hij koetsier (zo blijkt uit aktes van 1903, 1909, 1913, 1918 en 1930), maar hij trouwt als bakkergast en is in 1923 blijkbaar ijzerbewerker. Bij zijn overlijden woont hij in de Mechelse Demerstraat 7.

Opmerkelijk: uit zijn ondertekening van zijn huwelijksakte blijkt dat Franciscus nog altijd niet akkoord gaat met de ambtelijke schrijfwijze van zijn familienaam:

De wettige schrijfwijze van de familienaam volgens de ambtenaar.
De correcte schrijfwijze volgens de betrokkene, die vasthoudt aan de originele schrijfwijze door de pastoor.
Dood of levend?

Dood of levend?

Mechelen, Augustijnenstraat 93, zondag 6 augustus 1893, kort voor het middaguur. De kreet die Cornelia Van Rompuy slaat, stelt haar moeder Francisca Botermans gerust: haar baby heeft het gehaald. Ook haar vader, weversgast Lambert, glimlacht. Want hun eerste dochtertje werd in 1885 doodgeboren, en hun zoontje Nicolaas leefde in 1892 maar een half jaar. Deze keer is het lot hen gunstig gezind!

Toch liggen leven en dood in die tijd vaak akelig dicht bij elkaar …

Mechelen, maandag 7 augustus 1893 om 11u15:
aangifte van de geboorte van Cornelia op zondag om 11u30.

Leven en dood op 30 minuten

Ook ik ben blij, terwijl ik deze geboorteakte opneem in onze stamboom. Want het gezinnetje heeft nu, na de nodige tegenslag, drie dochters: Elisabeth (8), Joanna (4) en de kersverse Cornelia.

Maar dan sla ik het Mechelse overlijdensregister van datzelfde jaar open en stokt mijn adem. Want het geboorteregister vertelt maar het halve verhaal. Even na de geboorte van Cornelia overleeft haar tweelingzus de bevalling niét. Zij komt zo niet in het geboorteregister terecht, maar rechtstreeks in het overlijdensregister.

Mechelen, maandag 7 augustus 1893 om 11u30:
aangifte van Cornelia’s doodgeboren tweelingzusje op zondag om 12u00.

Hoe treurig moet Lamberts tocht naar de Burgerlijke Stand van het stadhuis op maandagochtend geweest zijn, vergezeld door zijn buurman, schildersgast Jan Crockaerts.

Om 11u15 geven ze samen de geboorte van Cornelia aan, en om 11u30 ‘bestatigt’ de ambtenaar ‘de vertoning van een doodgeboren kind’.

Vader Lambert kan overigens niet tekenen door ongeletterdheid, zijn buurman wel.

Leven en dood op 3 weken

Tot overmaat van ramp duikt enkele pagina’s verder ook de overlijdensakte van Cornelia al op. Ze sterft op 31 augustus om 5 uur ’s morgens in de Augustijnenstraat 107, hoewel haar ouders nog op nummer 93 wonen.

Veel indruk moet dit overlijden op de ambtenaar van de Burgerlijke Stand blijkbaar niet gemaakt hebben. Want hij noteert doodgemoedereerd dat Corneel Van Rompuy, zoon van Lambert Van Rompuy gestorven is …

Mechelen, 31 augustus 1893: dochter Cornelia Van Rompuy overlijdt als zoon Corneel Van Rompuy.

Het gezin wordt zo weer herleid tot vader, moeder en twee dochters. Het Mechelse bevolkingsregister is hiervan de stille getuige:

Bevolkingsregister Mechelen, 1890-1899 (volume 15, pagina 57)
voor de Korte Ridderstraat 3 (in 1893 verhuist het gezin Van Rompuy naar de Augustijnenstraat 93).
Moeder Françoise (Francisca) is stoelenweefster in meubelstad Mechelen: zij weeft de rieten zittingen. Haar man is een ‘echte’ wever.

Leven en dood in 1 huis

Merkwaardig ten slotte is wat diezelfde bevolkingsregisterpagina in de kolom ‘Observations’ vermeldt voor de inwonende Antoine Jacobs: ‘In 1887 voor moord veroordeeld tot de doodstraf en gevangen gezet’ …

Bevolkingsregister Mechelen, 1890-1899 (volume 15, pagina 57):
vermelding voor Antoine Jacobs, die inwoont bij het koppel Lambert Van Rompuy & Francisca Botermans

Sussen en Wringers

Sinds 1878 staan de geuzen en sussen (de liberalen en de katholieken) elkaar naar het leven in Begijnendijk, een gemeente op de grens van de provincies Brabant en Antwerpen. De schermutselingen volgen elkaar onafgebroken op, met nooit aflatende verdachtmakingen tussen liberalen en katholieken.

Fons Van Rompuy houdt voor de sussen van 1912 tot 1932 de touwtjes als burgemeester in handen – net zoals zijn vader Kobe dat deed in het laatste kwartaal van de vorige eeuw.

Inzet: schoolhoofd

In 1930 hebben de katholieken vijf van de negen schepenzetels, de liberalen vier. (De socialistische partij bestaat in de gemeente nog niet. Later doet ze een schuchtere, maar niet erg succesvolle poging om mee te spelen op het lokale politieke toneel.)

Maar dan raken de katholieken in een interne stammenoorlog verzeild, met als inzet … mijn grootvader, meester Fik Van Rompuy. Want het is hij of meester De Rijck, die Arthur Danckers zal opvolgen, het afzwaaiende hoofd van de gemeenteschool op de Kleine Steenweg.

Jaren twintig van de twintigste eeuw
Meester Fik Van Rompuy, mijn grootvader, op de fiets voor de gemeentelijke jongensschool (links) van Begijnendijk

1929 – Dagboek van meester Fiks vrouw

In haar dagboek vat mijn grootmoeder Tine Van Rompuy-Janssens de gebeurtenissen als volgt samen:

“Januari 1929 – Onze Fik krijgt het gedaan van de Katholieke Partij dat Jan De Rijck benoemd wordt. Gusta van Betekom was al eerder benoemd, dus staan we nu met 6 leerkrachten: Danckers, Van Vlasselaer, Ik, Onze Fik, Gusta en Jan De Rijck.

[nvdr: Fik had sinds eind 1923 de vierde graad onder zijn hoede, zijn vrouw Tine sinds de zomer van 1922 de derde graad, en Fiks Betekomse nicht Gusta Van Rompuy vanaf 1929 de vijfde graad]

Extract uit het dagboek van Tine Janssens (1929)

Bij de benoeming van Jan zegt onze Fik hem: “Jan, ik heb je nu in Begijnendijk gekregen. Nog een poosje en dan gaat Danckers op pensioen. Ik sta er op schoolhoofd te worden. Ik hoop dat je dan niet onder mijn duiven schiet.” En Jan, met de hand op het hoofdeke van Griet [nvdr: Fiks dochter]: “Dat zweer ik, Fik, op het hoofd van dat kind.” ‘s Avonds in een café in ’t dorp zegt hij, zat als hij is: “Fik zoekt hier schoolhoofd te worden, maar dáár zal hij met zijn kl… naast liggen.” Zo zie je maar: van je vrienden moet je ’t hebben.

Meester Fik Van Rompuy en juffrouw Tine Janssens rond 1929, wanneer De Ryck op Fiks voorspraak als leraar in de gemeenteschool wordt aangenomen. Met kinderen Griet (op wiens hoofd meester De Ryck zijn dure eed doet), Mia en Wim (mijn vader), en in het midden de Hongaarse kinderoppas Erszbeth.

1931 – De maskers vallen

In 1931 vallen de maskers. Zodra het pensioen van hoofdonderwijzer Danckers wordt aangekondigd, splitst Jan de Rijck zich van de katholieke moederpartij af met een kliek familie en vrienden. Hieraan hebben ze hun bijnaam ‘De Wringers‘ te danken.

Uit het dagboek van Tine Van Rompuy-Janssens:

1931/1932 – Er komt scheuring in de Katholieke partij: Jan De Rijck en kornuiten vormen een nieuwe partij, die ze “de Wringers” noemen. Allemaal met het oog op de verkiezing van een schoolhoofd. Nu zitten er op het gemeentehuis 4 Katholieken (Sussen), 4 Liberalen en 1 Wringer: een joker die nog burgemeester wordt ook.

Opmerking: ofschoon ik geen redenen heb om de twijfelen aan het geschreven en gesproken verslag van mijn grootmoeder Tine, blijft het háár verhaal, háár interpretatie van de feiten. Zoals meestal in gevallen als deze, zal de objectieve waarheid misschien wel wat genuanceerder zijn.

Beluister: Tine Van Rompuy-Janssens beschrijft (op haar 90ste) de strijd tussen Sussen en Wringers


Dit interview nam ik (Wim van Rompuy jr.) rond 1990 af van mijn grootmoeder Tine (weduwe van meester Fik Van Rompuy), in het bijzijn van haar zoon en mijn vader Wim Van Rompuy sr.

1932 – Welk neefje wordt het?

Bij de eerstvolgende verkiezingen worden vier Sussen, vier Liberalen en … één Wringer verkozen. De partij die hem aan zijn kant krijgt, bestuurt Begijnendijk. De liberalen ruiken eindelijk hun kans. De pasmunt voor deze coalitie? Die ene Wringer, Emiel Goris, wordt burgemeester én Jan de Rijck wordt hoofdonderwijzer. Zo geschiedt.

Na de installatie van de nieuwe burgemeester en schepenen in februari, stemt het college op 16 maart 1932 over de aanstellingen. En grijpt waarnemend hoofdonderwijzer Fik van Rompuy, neef van burgemeester Fons Van Rompuy, naast de definitieve aanstelling. Onderwijzer Jan De Rijck, neef van de tweede schepen, pikt zijn plaats in.

Twee katholieke fanfares, veel schermutselingen

Vanaf dat moment is het bijna tien jaar (letterlijk) slaande ruzie tussen Sussen en Wringers – een ruzie die zich op de niet aflatende onenigheid tussen katholieken en liberalen ent.

Begijnendijk wordt omwille van het niet aflatende politieke gekonkelfoes ‘Klein Brussel’ genoemd.
(Het Nieuwsblad, 25 mei 1933)

De meest invloedrijke families binnen de Wringers zijn de Verbisten (met als voorman Mil Verbist) en de Van Oosterwycks. Zij richten ook snel hun eigen fanfare op, zodat alle processies in Begijnendijk voortaan begeleid worden door twéé katholieke fanfares, die elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Ze laven zich trouwens ook in hun eigen stamcafé: de Sussen bij Jacques De Roover in de Dorpsstraat, de Wringers tegenover het huis van Florent Verbist, later bij zijn broer Mil Verbist in het begin van de Plasstraat (nu Baalse Steenweg).

Het gaat vaak hard tegen hard, waarbij meer dan eens de nodige ruiten sneuvelen en er bij feestelijkheden een robbertje gevochten wordt. Begijnendijkse families worden ook min of meer verplicht partij te kiezen.

Verzoening mislukt

Toch vinden beide partijen het na enkele jaren welletjes: ze verzoenen zich. Ter bekrachtiging zullen de twee fanfares gezamenlijk optrekken van de staminee van De Roover naar die van Verbist, enkele honderden meters verderop. Hoewel de korte wandeling met goede voornemens wordt ingezet, loopt het al na enkele passen mis. Er ontstaat een hevige woordenwisseling, die even later uitmondt in een heus gevecht, waarbij lustig met de muziekinstrumenten op elkaars hersenpan getimmerd wordt.

Vete op de achtergrond

Het is de Tweede Wereldoorlog die een einde maakt aan deze ‘stammentwist’. Dan zijn er belangrijkere zaken aan de orde, zodat de polarisatie wegdeemstert, en de partij van de Wringers opgedoekt wordt.

Het dorpsleven valt in zijn normale plooi en oude geschillen worden vergeten en vergeven. Hoewel het onderwerp tot laat in de twintigste eeuw gevoelig blijft liggen in sommige Begijnendijkse families. De buurgemeenten hebben een nog langer geheugen: zij noemen de Begijnendijkenaars nog vaak veralgemenend ‘De Wringers’.

Lerarenkorps schooljaar 1953-1954 van de Gemeentelijke Jongensschool.
Centraal Jan De Ryck, links het echtpaar Fik Van Rompuy en Tine Janssens (in het wit), rechts Gusta Van Rompuy (uit Betekom) en Verstraeten (uit Heist-op-den-Berg), en bovenaan vlnr: Ceulemans, Van Oosterwijck en Jos Van Rompuy (opvolger van Jan De Rijck als schoolhoofd)

Bittere nasleep

De benoemingsaffaire heeft nog een pijnlijke nasleep. In haar dagboek vervolgt mijn grootmoeder voor 1932 met:

Danckers is op pensioen. De strijd voor de plaats van schoolhoofd kan beginnen. En begint ook. Er moet én een schoolhoofd én een leerkracht bij benoemd worden. Jan De Ryck wordt schoolhoofd. Onze Fik en de juffrouw (Geysemans) die voor de plaats van 7° leerkracht stond, worden aangehouden en in voorarrest gezet in Leuven, Maria Theresiastraat.”

Extract uit het dagboek van Tine Janssens

Het is bijna een fait divers, zoals zij het verwoordt. Maar haar man, juffrouw Gyzemans uit Schriek én ex-burgemeester Fons Van Rompuy belanden wel degelijk enkele weken in de gevangenis. Hun vermeende omkopingszaak haalt de nationale pers. Meer daarover in het volgende blogartikel!